Lampropeltis triangulum

Google afbeeldingen
Wetenschappelijke naam Lampropeltis triangulum (LÁCEPÈDE, 1789)
Nederlandse naam Oostelijke melkslang
Herkomst Van Ontario, Canada, langs de Georgian Bay tot in zuidelijk Quebec. Verder ten oosten van Lake Huron tot in zuidelijk Maine, zuidwaarts via New England en New York tot in North Carolina en het uiterste noorden van Alabama en Georgia. Dan westwaarts tot in oostelijk Minnesota (dit was het leefgebied van L. t. triangulum). Na de herziening van alle ondersoorten van L. triangulum komen de volgende gebieden van  deze twee ondersoorten er nog bij:

(L. t. syspila en intergrades) in Alabama, Indiana, Iowa, Illinois, Kentucky, Missouri, Mississippi, Tennessee en mogelijk Arkansas ten noorden van de Arkansas rivier.

(L. t. amaura) in noordoostelijk Louisiana (specifiek in La Salle Parish.

Biotoop Binnen zijn verspreidingsgebied komt deze soort in vrijwel elk biotoop voor. Dit kunnen open bossen zijn, velden, rotsachtige gebieden, in de nabijheid van menselijke bewoning, etc. Het lijkt er op dat deze soort geen specifieke eisen stelt aan zijn leefomgeving.

In het Canadese deel het verspreidingsgebied worden ze weinig gevonden in de nattere delen, zoals moerasgebied.

Bijzonderheden De soort L. triangulum kende tot 2014 veel (24) ondersoorten.  Na een uitgebreid genetisch onderzoek door Ruane et, al. worden er geen ondersoorten meer erkend bij deze soort.

De vierentwintig ondersoorten vormen nu zeven verschillende soorten:

–          De opgeheven ondersoorten L. t. triangulum, L. t. syspila en L. t. amaura (deels) vormen nu samen de soort L. triangulum.

–          De opgeheven ondersoorten L. t. celanenops, L. t. multistriata, L. t. taylori, L. t. amaura (deels) en L. t. annulata (deels) vormen nu samen de soort L. gentilis.

–          De opgeheven ondersoort L. t. elapsoides is nu een aparte soort, nl. L. elapsoides.

–          De opgeheven ondersoorten L. t. annulata en L. t. dixoni vormen nu samen de soort L. annulata.

–          De opgeheven ondersoorten L. t. arcifera, L. t. conanti (deels), L. t. campbelli, L. t. nelsoni, L. t. polyzona (deels), L. t. sinaloae en L. t. smithi vormen nu samen de soort L. polyzona.

–          De opgeheven ondersoorten L. t. blanchardi, L. t. conanti (deels), L. t. hondurensis, L. t. oligozona, L. t. polyzona (deels) en L. t. stuarti vormen nu de soort L. abnorma.

–          De opgeheven ondersoorten L. t. micropholis, L. t. gaigeae en L. t. andesiana vormen nu de soort L. micropholis.

 

Voor een uitgebreid verslag van dit onderzoek lees het onderstaande artikel.


Ruane, Sara; Robert W. Bryson, Jr., R. Alexander Pyron, and Frank T. Burbrink 2014. Coalescent Species Delimitation in Milksnakes (genus Lampropeltis) and Impacts on Phylogenetic Comparative Analyses. Systematic Biology 63 (2): 231-250, doi:10.1093/sysbio/syt099


Voor het uiterlijk van deze soort klikt u op de foto bovenaan deze pagina. Deze slang is, net als veel van de andere Lampropeltis soorten nogal variabel in zijn verschijningsvorm.

De gemiddelde lengte van de Oostelijke Melkslang ligt tussen de 60 en 90 cm. Maar er zijn exemplaren tot ca. 130 cm bekend.

In de vrije natuur jaagt deze soort op knaagdieren, vogels en vogeleieren, hagedissen en amfibieën, maar ook soms vis, regenwormen, slakken en insecten. Ook slangen, inclusief giftige, staan op het menu.

Afhankelijk van de locatie houden Oostelijke Melkslangen een winterslaap van oktober/november tot maart/april. In mei of juni begint de voortplantingstijd. Na ca. 30 dagen worden de eieren gelegd, meestal onder rottende boomstronken, bladafval of stenen. Een gemiddeld legsel bestaat uit 10 – 15 eieren, maar alles tussen 3 en 24 eieren komt voor. Na een periode van ca. 60 dagen komen de eieren uit. Bij de geboorte zijn de slangen zo’n 15 tot 18 cm lang.

Net als veel andere vertegenwoordigers van het genus Lampropeltis kunnen ze wel tot een jaar of twintig oud worden.

 

Share