Lampropeltis nigrita

Google afbeeldingen
Wetenschappelijke naam Lampropeltis nigrita (ZWEIFEL & NORRIS, 1955)
Nederlandse naam Mexicaanse Zwarte Koningsslang; Zwarte Woestijnkoningsslang; Westelijke Zwarte Koningsslang
Herkomst Van noordelijk Sinaloa noordwaarts naar Sonora (Mexico) en in het uiterste zuidoosten van Arizona (USA).
Biotoop Deze koningsslangen worden zowel in rotsachtige gebieden als in gebieden met weelderige plantengroei.
Bijzonderheden Was voorheen een ondersoort van L. getula.

In 2017 is Lampropeltis getula, op basis van DNA onderzoek, opgesplitst in 4 aparte soorten (L. floridana, L. getula, L. meansi en L. nigrita). Deze vier soorten kennen momenteel geen ondersoorten.


Krysko, Kenneth L.; Leroy P. Nuñez, Catherine E. Newman, Brian W. Bowen.  (2017) Phylogenetics of Kingsnakes, Lampropeltis getula Complex (Serpentes: Colubridae), in Eastern North America. J Hered (2017) 108 (3): 226-238.


Als volwassen slang zijn deze dieren volledig zwart of donkerbruin met soms witte vlekjes op de onderkant van de kop. De kop en nek gaan zonder versmalling in elkaar over. De donkere ogen zijn relatief klein en hebben een ronde pupil.

In een legsel eieren kan er een aanzienlijk verschil in uiterlijk van de jongen zijn.

Sommige slangetjes hebben een vrijwel geheel zwarte buik- en rugzijde. Bij andere exemplaren van hetzelfde legsel kunnen er op de rug dunne dwarsbandjes zichtbaar zijn en is er een schaakbordpatroon van lichte en donkere vierkantjes te zien op de buikzijde.

Gemiddelde lengte van volwassen dieren ligt meestal ergens tussen de 80 en 120 cm.

Zoals veel koningsslangen deze soort, bij een goede verzorging, wel 20 jaar of ouder worden.

Zoals de meeste koningsslangen is ook de Mexicaanse Zwarte Koningsslang een opportunistische eter; ze eten vrijwel alles wat ze te pakken kunnen krijgen dat niet te groot is om door te slikken.
Op het menu staan hagedissen, slangen (ook giftige, zoals ratelslangen), zoogdieren, vogels en eieren. Voor het gif van ratelslangen is deze soort immuun.

Deze slangen zijn voornamelijk bodem bewoners die zo nu en dan wel eens in laag struikgewas klimmen. Tevens zijn het uitstekende zwemmers. Wanneer ze zich bedreigd voelen “ratelen” ze heel snel met de staart. Ze bijten zelden.

In het voorjaar gaan de mannen op zoek naar vrouwen om mee te paren. Deze periode duurt 1 tot 2 maanden. En zes tot acht weken na de paring worden de eieren gelegd. Een legsel kan wel tot 24 eieren bevatten. Deze komen na 50 tot 60 dagen uit. Bij de geboorte zijn de jongen ca. 20 cm lang.

In het wild wordt er gewoonlijk elk jaar een legsel geproduceerd, maar in een, qua voedselaanbod, mager jaar slaan de vrouwtjes ook wel eens een jaar over.

Deze soort doet het, bij de juiste verzorging, prima in gevangenschap op een dieet van knaagdieren.

Share