Lampropeltis nigra

Google afbeeldingen
Wetenschappelijke naam Lampropeltis nigra
Nederlandse naam Zwarte Koningsslang
Herkomst Van zuidelijk Illinois tot Ohio en dan zuidwaarts via de uitlopers van de Appalachian Mountains en het stroomgebied van de Alabama River tot aan de Gulf Coast in zuidelijk Alabama. Daarna verder langs de oostelijke kust van de Mississippi tot in Louisiana.
Biotoop Deze soort bewoont allerlei biotopen. Zo worden ze aangetroffen op/bij (verlaten) boerderijen, landbouwgrond, gras- en kruidenvelden, bosgebied, afvalbergen, op overstromingsvlaktes langs rivieren en gebieden met veel struikgewas en in moerasgebieden. Ook komt de soort voor in voorstedelijke gebieden.
Bijzonderheden Tot 2009 was deze slangensoort een ondersoort van Lampropeltis getula (L. g. nigra).


Pyron, R. Alexander; Frank T. Burbrink 2009. Systematics of the Common Kingsnake (Lampropeltis getula; Serpentes: Colubridae) and the burden of heritage in taxonomy. Zootaxa 2241: 22-32


L. nigra is een middelgrote slangensoort met een gemiddelde lengte die ligt tussen de 90 en 120 cm. Er zijn exemplaren gemeten die ca. 180 cm lang waren.

Bij de geboorte zijn de jongen tussen 20 en 30 cm lang. Deze slangen kunnen gemakkelijk 10-15 jaar oud worden, met uitschieters tot ca. 20 jaar.

De basiskleur is zwart met op hun rug soms vage sporen van lichtere dwarsbanden. De buikzijde heeft een schaakbordpatroon van zwart en witte/gelige/crèmekleurige vierkanten.

Elke rugschub heeft in het midden een geel of wit spikkeltje. Bij exemplaren uit het zuidelijke deel van hun verspreidingsgebied zijn de spikkels het duidelijkst zichtbaar. Hoe verder je naar het noorden gaat, hoe vager de spikkels worden waardoor volwassen dieren zo goed als helemaal zwart lijken.

Wanneer de winterslaap in het voorjaar voorbij is beginnen de paringen. De eieren (tot ca. 20 stuks) worden gelegd in het begin van de zomer. Aan het eind van de zomer of het begin van de herfst komen de eieren uit, gewoonlijk zo’n 60 dagen nadat ze  gelegd zijn.. De jongen hebben meestal gele, witte of crèmekleurige dwarsbanden die verdwijnen op hun weg naar volwassenheid. Ook hebben ze vaak wat onregelmatige vlekjes op hun flanken.

Deze  slangensoort eet vaak andere slangen (ook giftige, zoals groefkopadders). Voor het gif van deze groefkopadders (o.a. Agkistrodon en Crotalus) is de Zwarte Koningsslang immuun.
Naast slangen eten ze ook hagedissen, kleine knaagdieren (muizen en ratten) vogels en hun eieren. Ook is bekend dat ze soortgenoten eten die kleiner zijn dan zijzelf (kannibalisme).

Is voornamelijk bodem bewonend maar kan klimmen, al doen ze dat niet vaak. Houdt zich een flink deel van de dag op onder boomstronken, in oude knaagdierenholen, onder afval, etc. Is het meest actief in de ochtend- of avonduren en soms overdag als het bewolkt is . Wordt zelden zonnend aangetroffen.

Wanneer deze slang zich bedreigd voelt zal hij in eerste instantie hevig ratelen met zijn staart. Wordt hij alsnog opgepakt, dan zal hij de anaalklieren legen om zo een stinkende vloeistof op zijn belager te spuiten. Ook is wel een ander gedrag ter zelfbescherming waargenomen. De slang rolt zich dan op tot een bal met zijn kop verborgen tussen de kronkels.
Uiteraard vluchten ze als ze de kans krijgen. Ze zijn dan opvallend snel verdwenen.

Belangrijkste vijanden van volwassen Zwarte Koningsslangen zijn opossums, stinkdieren en wasberen.

Mensen laten deze soort opvallend vaak met rust. Men herkent ze gemakkelijk als niet gevaarlijke, nuttige slangen.

Share